Column – Ferrari is wispelturig in budgetplafonddiscussie

© Scuderia Ferrari Press Office

De races liggen stil, maar de Formule 1 is de Formule 1 niet zonder heibel in de tent. Het budgetplafond houdt de gemoederen op het moment misschien nog wel meer bezig dan wanneer er überhaupt weer geracet kan worden. De rivalen van weleer, Ferrari en McLaren, staan in die discussie linea recta tegenover elkaar. Zo heeft Ferrari alweer traditioneel gedreigd de Formule 1 te verlaten mocht het budgetplafond lager worden dan $150 miljoen en neemt McLaren het als een Robin Hood op voor de kleinere teams.

Waar draait de discussie nu precies om? Om het verder verlagen van het budgetplafond van $150 miljoen. Verleden jaar kwamen de teams al overeen dat het plafond in 2021 op 175 miljoen dollar zou komen te liggen. Nu alle teams inkomsten mislopen doordat races niet doorgaan, werd besloten om de 175 miljoen dollar terug te brengen tot 150. Sommige teams ging dit niet ver genoeg. Vooral Zak Brown van McLaren hield de afgelopen weken een pleidooi voor verdere verlaging van het plafond, anders zouden volgens hem mogelijk vier teams failliet gaan. Aan de andere kant vond Mattia Binotto van Ferrari dat een reductie tornt aan de principes van de sport. “F1 moet in termen van technologie het beste van het beste zijn. Als we de kosten terugbrengen, lopen we het risico dat het niveau daalt”, zei hij in gesprek met The Guardian.

Maar waar mogen teams dan minder geld aan uitgeven met het budgetplafond? Niet alle kosten zullen hier onder vallen. In het kort komt het erop neer dat het salaris voor coureurs en managers en marketingkosten niet meegenomen worden in het plafond. Overige personeels- en ontwikkelingskosten vallen hier dus wel onder. Mits de regels goed nageleefd worden, kan dit inderdaad een verschil maken. De ontwikkelingsrace in de fabriek is immers een belangrijk onderdeel naast de actie op de baan.

Franz Tost van AlphaTauri schatte dat elke gemiste race zijn team zo’n twee miljoen euro kost. Voor teams met een klein budget is dat een aderlating en betekent dat dat ze minder kunnen uitgeven aan de ontwikkeling van de auto of eerder personeel moeten ontslaan. Een budgetplafond biedt dan uitkomst, want ook de grotere teams moeten daardoor minder uitgeven. Zo nivelleert het speelveld. Vanuit dat oogpunt is de tegenstand van Ferrari begrijpelijk. Wie vooraan meestrijdt, wil logischerwijs vooraan blijven strijden. Verzwakte concurrentie helpt dan.

Een Ferrari-woordvoerder nuanceerde later het dreigement van Ferrari. Wat Binotto had willen zeggen was: ‘Ferrari wil niet in een positie gedwongen worden dat het merk naar alternatieven moet kijken om hun race-DNA te kunnen ontplooien’ en ‘dat daarbij banen van medewerkers op de tocht zouden komen te staan’. Kijken naar alternatieven kun je natuurlijk opvatten als we gaan wel ergens anders racen, wat neerkomt op, dan stappen we uit de F1.

Dat Ferrari niet consequent is blijkt ook wel uit de uitspraken van Lous Camilleri, CEO van Ferrari. In december 2019 gaf hij aan dat strengere financiële regelgeving noodzakelijk is om de sport economisch duurzaam te houden. “Mettertijd moet dat plafond meer van de wagen behelzen, zoals de krachtbron, de coureurs en verscheidene andere dingen. Als de sport namelijk financieel niet rendabel is, dan zal het een langzame dood sterven.”

De uitspraak van Binotto in het interview met The Guardian dat de sport aantrekkelijk moet zijn voor autofabrikanten en sponsoren doordat de F1 het beste van het beste is, snijdt geen hout in tijden van financiële crises. Het raceprogramma wordt nu juist gezien als geldverslindend. Neem het besluit van Volkswagen ten tijde van dieselgate. In Wolfsburg wist men niet hoe snel ze al hun autosportactiviteiten stop moest zetten om niet nog grotere financiële en imagoschade op te lopen. Of neem de knipperlichtrelatie van Renault met de F1: dan wel een fabrieksteam, dan weer niet een fabrieksteam. Voor Ferrari zelf snijdt de uitspraak misschien hout omdat het merk voortgekomen is uit de racerij, in plaats van andersom.

Volgens Binotto ligt de oplossing dus niet in een strenger plafond, maar in klantenteams. Iets waar Zak Brown geen voorstander van is, want “dat voelt als een oplossing uit de jaren ’70”. Niets is minder waar natuurlijk. Racing Point, AlphaTauri en Haas F1 zijn al voor een groot part afhankelijk van respectievelijk Mercedes, Red Bull en Ferrari. Logischerwijs is Brown hierop tegen, want als dat systeem uitgebreid wordt, zouden de directe concurrenten van McLaren kunnen profiteren van de kunde en kennis van de drie grote teams. Oftewel McLaren zakt dan terug op de grid. Binotto heeft ook een punt als hij het opneemt voor zijn personeel en dat te rigide besluiten kunnen leiden tot ontslagen. Nu de economie een dreun krijgt, is dat natuurlijk ook niet wenselijk.

De discussie zal nog wel voortduren, er wordt immers al jaren over een budgetplafond gesproken. Maar Ferrari’s argumenten zijn inderdaad onlogisch, zoals Brown al beweerde. Ferrari heeft namelijk ook niets aan een kampioenschap met minder teams, want dat geeft minder aanzien en nota bene de baas van het merk doorzag in december al dat strengere regelgeving noodzakelijk is voor de gezondheid van de sport. Juist nu is er de mogelijkheid om spijkers met koppen te slaan omtrent dit heikele punt. Binotto meent misschien van niet, maar er zijn geen races die de aandacht kunnen afleiden. Er is nu genoeg tijd om verschillende scenario’s te onderzoeken, te overleggen en tot een besluit te komen. Misschien dat Camilleri een belletje kan plegen met Binotto en zijn uitspraken nog eens voor kan leggen. Uiteindelijk zien we allemaal graag de rode scharlaken wagens van Maranello op de grid staan.

Reageren? Stuur een mail naar rutger.hoekstra@grandprixradio.nl