Zo werkt de Formule 1: Bochten nemen

(c) Ferrari F1

In het boek ‘Zo werkt de Formule 1’ legt Olav Mol het een en ander uit over bochten nemen.

Iedere bocht heeft een ideale lijn, wat de snelste route door die bocht is. Die lijn hangt af van hoe scherp de bocht is en of er een recht stuk op volgt of direct nog een bocht. Een coureur wil voor een bocht het liefst zo laat mogelijk remmen en in de bocht weer zo snel mogelijk op het gas. Tijdens de trainingen stelt hij met het team zijn auto zo af dat deze optimaal door de meeste bochten komt, maar tijdens een race veranderen de omstandigheden continu. Het gewicht van de auto wordt bijvoorbeeld steeds lager omdat er benzine wordt verbrand, de banden slijten en krijgen daardoor steeds minder grip en het weer kan veranderen.

De ideale lijn door de bocht wordt door dit alles steeds lastiger om te realiseren. Een auto kan steeds meer onderstuur krijgen. Dit betekent dat de auto na het insturen niet ver genoeg naar de binnenkant van de bocht gaat, waardoor de coureur wat moet corrigeren met zijn stuur en pas later op het gas kan. Het komt ook voor dat de auto overstuurd is. Hij gaat dan juist iets te snel naar binnen en als de coureur dan te vroeg gas geeft kan hij in een spin raken. Met het verleggen van de remdruk naar voren of achteren kan de rijder zorgen dat hij bijvoorbeeld onderstuur iets corrigeert, maar dat zorgt er tevens voor dat de voorbanden dan harder slijten dan de achterbanden (of andersom) wat ook weer niet wenselijk is.

Wil je meer weten over de achtergronden van de Formule 1? Lees dan ‘Zo werkt de Formule 1’.