Zo werkt de Formule 1: Chassis

(c) McLaren

In het boek ‘Zo werkt de Formule 1’ legt Olav Mol het een en ander uit over het chassis.

In de autowereld is het chassis de dragende onderkant van een auto, waaraan de wielen, motor en het koetswerk (de carrosserie) worden gemonteerd om zo een volwaardige auto te krijgen. In de Formule 1 is de definitie van het chassis iets anders. De carrosserie en het chassis vormen hier namelijk één onderdeel: de monocoque. Dit is het deel van de auto vanaf ruwweg de voorwielen tot even achter de cockpit. Dit geheel bestaat uit een holle koker van koolstofvezel waaraan de bodemplaat, wielophanging, vleugels, brandstoftank, versnellingsbak en motor worden vastgemaakt.

Deze koker wordt ook wel safety cell of crash cell genoemd. Bij een ongeluk dient het als een beschermende cocon voor de coureur. Een chassis moet dan ook oersterk zijn en voldoen aan de hoogste veiligheidseisen. Zo worden de monocoques voorafgaand aan het seizoen door de FIA onderworpen aan een aantal crashtests, van de voor-, zij- en achterkant. Alleen goedgekeurde chassis mogen het circuit op. Een crash toont duidelijk waarom: allerlei onderdelen zoals de vleugels, wielen en zelfs motoren zijn dan afgebroken en volkomen verwoest, maar de cel waarin de rijder zit blijft intact.

Niet alleen de voor-, zij- en achterkant moeten goed beschermd zijn. Bij een ongeval bestaat de kans dat een auto over de kop slaat. Om in zo’n geval het hoofd van de rijder te beschermen, moet de auto voorzien zijn van een roll bar die uit twee extra stevige delen bestaat. Het eerste deel steekt omhoog direct achter het hoofd van de rijder en wordt tevens gebruikt als luchtinlaat om de motor te koelen. Het tweede deel bevindt zich net voor de rijder, boven de benen van de coureur. Door de plaatsing ten opzichte van elkaar vormen deze twee delen een soort driehoek, waarbinnen het hoofd van de rijder beschermd is.

Wil je meer weten over de achtergronden van de Formule 1? Lees dan ‘Zo werkt de Formule 1’.