Zo werkt de Formule 1: Financiën

(c) Red Bull Content Pool

In het boek ‘Zo werkt de Formule 1’ legt Olav Mol het een en ander uit over de financiën van een Formule 1-team.

Het onderhouden van een Formule 1-team is geen goedkope hobby. Niet voor niets luidt een gevleugeld gezegde dat de beste manier om in de Formule 1 miljonair te worden, is om er als miljardair aan te beginnen. Anders gezegd; er wordt enorm veel geld in de sport gestoken en het is maar de vraag of het aan het einde van de rit iets oplevert.

De teams hebben ook niet allemaal hetzelfde budget. Het Duitse blad Bild heeft de teambudgetten over 2016 becijferd en kwam tot de volgende bedragen:

  1. Mercedes: €470 miljoen
  2. Ferrari: €470 miljoen
  3. Red Bull: €440 miljoen
  4. McLaren: €350 miljoen
  5. Renault: €250 miljoen
  6. Toro Rosso: €135 miljoen
  7. Williams: €130 miljoen
  8. Force India: €100 miljoen
  9. Haas €100: miljoen
  10. Sauber: €90 miljoen

Uitgaven

Een Formule 1-team is om verschillende redenen zo duur. Ten eerste is het een sport die mens en machine over de hele wereld brengt. Personeel en materiaal in een tijdsbestek van acht maanden en 20 races de hele wereld over laten vliegen en verschepen is niet alleen een logistieke nachtmerrie, maar kost ook ontzettend veel geld. Ten tweede is er natuurlijk het ontwerpen, produceren en in elkaar zetten van meerdere hightech auto’s, verreweg het belangrijkste wat een renstal doet en de grootste kostenpost. Maar het ontwerpen is niet het enige: als de auto’s eenmaal klaar zijn voor gebruik is het ontwerp en ontwikkelingsteam (R&D) al weer bezig om de auto nog sneller te maken. En als een auto eenmaal uitontwikkeld is, of als de regels worden gewijzigd, begint alles weer van voren af aan. Tenslotte zijn er de personeelskosten: de coureurs in topteams verdienen miljoenen, maar ook in de achterhoedeteams worden honderdduizenden euro’s betaald. De kosten voor rest van het personeel zijn ook aanzienlijk. Als je bedenkt dat een klein team al rond de 300 hoogopgeleide mensen in dienst heeft, dan kun je je misschien een voorstelling maken van de enorme bedragen die in de sport omgaan.

Inkomsten

Tegenover al die uitgaven staan de inkomsten. Die zijn te verdelen in vier categorieën: eigen vermogen, start- en prijzengeld, partners en sponsors.

De eerste vorm van financiering is het eigen geld van de teameigenaren, moederbedrijven of aandeelhouders. Zo kan een teameigenaar als Vijay Mallya zijn privégeld in zijn team Force India steken. Ook de directie van Ferrari steekt een percentage van de opbrengst van de verkoop van straatauto’s in het Formule 1-project en Red Bull reserveert een deel van het marketingbudget voor zowel Red Bull Racing als Toro Rosso.

Start- en prijzengeld

Net als bij elke andere sport gaat het in de Formule 1 natuurlijk om de eer, maar toch is aan het einde van het seizoen een flinke cheque mooi meegenomen. De organisatie Formula One Management verdeelt aan het einde van elk seizoen een flinke pot geld. Dit gaat via een ingewikkelde en deels geheime verdeelsleutel die bestaat uit drie delen: prijzengeld, startgeld en historische waarde.
Prijzengeld is er in twee categorieën: de helft van de totale prijzenpot wordt gelijk verdeeld onder de teams die in twee van de afgelopen drie seizoenen in de top tien zijn geëindigd. De andere helft wordt verdeeld aan de hand van de eindstand van het laatste seizoen, waarbij de nummer 1 19% krijgt en de nummer 10 4%. Dit jaar zijn er slechts tien teams, dus dat betekent dat iedereen geld krijgt, maar je kunt je voorstellen dat als er 11, 12 of zelfs 13 stallen meedoen de strijd achterin best heftig is.
Het tweede deel bestaat uit startgeld. Het lijkt in eerste instantie logisch om alle teams die aan de Formule 1 willen meedoen hetzelfde bedrag te geven. Maar het ligt even wat anders. Een goede vergelijking om dat duidelijk te maken is de tenniswereld: grote tennissers als Roger Federer en Novak Djokovic maken een tennistoernooi extra interessant en kunnen dus hogere startgelden. Hetzelfde geldt in de Formule 1: topteams als Ferrari, Mercedes en Red Bull zorgen voor competitie en spanning en ontvangen dus een hoger startgeld dan bijvoorbeeld kleinere renstallen als Sauber of Toro Rosso.
Tot slot krijgen de teams geld naar gelang hun ‘historische waarde’, een onderwerp dat vaak aanleiding is voor felle discussies. Vier wereldkampioenen (Mercedes, Ferrari, Red Bull en McLaren) hebben in aparte clausules van het Concorde Agreement laten opnemen dat ze op basis van hun titels extra geld krijgen. Williams heeft individueel weer een aparte bonus bedongen en ook Red Bull heeft nog een eigen overeenkomst met de organisatie die gebaseerd is op hun deelname in de komende jaren. De kampioen van de bonussen is Ferrari, dat als zogeheten ‘Long Standing Team’ elk jaar 70 miljoen euro ontvangt.

Partners

Partners zijn bedrijven of instellingen die materiaal of diensten leveren aan een team. Zo is Shell al jarenlang een vaste partner van Ferrari. De Brits-Nederlandse oliemaatschappij levert niet alleen de brandstof en olie, maar helpt ook mee in het verbeteren van die producten. In ruil daarvoor krijgt het logo van Shell een prominente plek op de scharlakenrode auto’s, de teamkleding, de website et cetera.
Een ander voorbeeld is de samenwerking tussen Red Bull en Siemens. Het Duitse technologiebedrijf levert de computersoftware die de ontwerpers van Red Bull gebruiken om de auto’s te ontwikkelen. In veel gevallen worden dit soort partnerdeals in basis ‘onbetaald’ gedaan: de partner krijgt publiciteit in ruil voor zijn producten of diensten.

Sponsoren

Sponsoren betalen geld aan een Formule 1-team om hun merknaam geassocieerd te zien worden met het imago dat aan de sport en het team kleeft. Daarin kan onderscheid gemaakt worden tussen de teamsponsors en de privésponsors van de coureurs.

Teamsponsors zijn geldschieters die rechtstreeks doneren aan een renstal. Zij krijgen naast hun naam op de auto vaak ook vipkaarten voor een race, mogen af en toe een coureur of auto gebruiken om hun product te promoten en hebben het recht om in hun eigen communicatie de renstal te noemen. Is het budget toereikend, dan kan er soms zelfs sprake van titelsponsoring zijn. De renstal neemt dan de naam van de sponsor op in de teamnaam. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Sahara Force India en Williams Martini Racing. Andere invullingen zijn ook mogelijk, zoals te zien is bij Red Bull en TAG Heuer . Horlogefabrikant TAG Heuer positioneert zich graag als innovatief en hightech merk en heeft daarom met Red Bull de afspraak dat het naamgever is van de krachtbron in de auto’s van het team. De bedragen die sponsors moeten betalen variëren nogal. Dat varieert per team, de betere teams zijn natuurlijk interessanter dan de achterhoedestallen, maar ook de plaats op de auto is bepalend. Zo kost een mooie plek op de motorkap of achter het hoofd van de coureur meer dan een sticker op de zijkant van de voorvleugel.

De rol van privésponsors ligt wat anders. Vaak zijn de budgetten van privésponsors kleiner en komen deze geldschieters uit het land van herkomst van de coureur. Zo heeft supermarktketen Jumbo een deal met Max Verstappen en siert het logo van de supermarkt de helm van de Nederlander, maar dat logo zal niet gauw terugkeren op de auto van Red Bull. Ook een uitnodiging voor een race loopt in zo’n geval niet via het team, maar via de coureur zelf. Het team draait zo niet op voor de kosten die een bezoek van zo’n privésponsor met zich meebrengt.

Pay driver

Een apart fenomeen in de sponsoring vormt de pay driver, de betalende rijder. Sommige teams hebben zo weinig budget dat ze een coureur aantrekken die gesteund wordt door een grote sponsor. Soms zijn dit minder goede rijders die zonder financiële steun helemaal niet in de Formule 1 terecht zouden komen, maar soms gaat het ook om beginnende talenten die een steuntje kunnen gebruiken. Met het geld dat deze coureur meebrengt wordt eigenlijk ‘een stoeltje gekocht’. Met het sponsorgeld kan het team vervolgens de coureur een salaris betalen en de rest wordt gebruikt om de teamkas te spekken. De Braziliaanse coureur Felipe Nasr werd bijvoorbeeld jarenlang gesteund door Banco da Brasil. Het sponsorbedrag was voor het noodlijdende Sauber zo interessant dat ze hem graag een stoeltje aanboden, in ruil voor de naam van de bank op de auto.

Wil je meer weten over de achtergronden van de Formule 1? Lees dan ‘Zo werkt de Formule 1’.

Jouw reactie