Voorpublicatie boek ‘Een leven met Formule 1’: Guns in Brazilië

Brazilië als land en São Paulo als stad heb ik in de laatste 25 jaar zien veranderen. In de eerste jaren dat we daar kwamen, woonden er onder elk viaduct dat we passeerden wel mensen. Dat is inmiddels gelukkig grotendeels verdwenen. Daaraan zien je dat zo’n land beter wordt. Hoe je zag dat er onder zo’n viaduct mensen woonden? Heel eenvoudig: een tv hadden ze wel. De stroom tapten ze gewoon af van de elektriciteitspaal die in de buurt stond.

Het circuit Carlos Pace in Interlagos ligt aan het einde van een hele grote favela, zoals een sloppenwijk daar heet. Nou is er in de loop der jaren ook veel veranderd aan de manier waarop wij naar het circuit komen. Op de zaterdag en zondag gaan alle rijbanen ’s ochtends richting het circuit en ’s avonds weer terug en worden er stukken afgesloten. Begin jaren negentig was dat nog niet zo en moest je er maar zien te komen. Dat laatste stuk was dan wel echt vervelend. Vooral als je van het circuit afkwam en het verkeer liep vast, dan stond je daar pal naast die favela in de file.

Niet bang voor grote mannen

Elk jaar, ook in 2015 nog, worden er crews overvallen. De meeste Formule 1-teams rijden daar ook met busjes zonder stickers van het team erop. Er zijn ook veel teams, waarbij iedereen die ’s avonds van het circuit afkomt een blanco T-shirt over de kleding draagt om maar niet herkend te worden als zijnde van een Formule 1-team. Wat ik heb geleerd daar: je hoeft niet altijd bang te zijn voor grote volwassen mannen. Je moet opletten voor kinderen. Het is algemeen bekend dat het in Rio de Janeiro en São Paulo ventjes van acht, negen jaar zijn die je overvallen. Die worden aangestuurd door jongens van veertien, vijftien die op hun beurt weer worden aangestuurd door volwassen mannen, die de spullen en het geld binnenhalen.

Wat ik ook geleerd heb, is dat je niet moet proberen hun taal te spreken of Engels te spreken. Je kunt het beste in je eigen taal heel rustig iets zeggen, bijvoorbeeld vragen wat er aan de hand is. De ander verstaat dan wel niet wat je zegt, maar het klinkt in ieder geval rustig, zo rustig mogelijk.

2000 euro schade

Het eerste jaar was er een ventje van ik denk een jaar of negen, die voor de auto langsliep. Rechts stonden er nog wel een paar meer. Je denkt dan dat dat ventje je ramen wil wassen of snoep wil verkopen, want die zijn er ook veel. Naïef als ik was had ik mijn raam voor een kwart naar beneden. Het ventje kwam naar mijn kant gelopen en greep door het raam meteen naar mijn borstzak, waar een pen inzat, mijn geld en mijn Formule 1-pas. Maar ik was alert. Ik pakte meteen die arm, die ik even wat draaide en vervolgens reed ik heel langzaam weg voor een paar meter. Dat ventje begon gelijk te schreeuwen en om hulp te roepen, waarop er acht of negen ventjes aan kwamen rennen die voor zo’n 2000 euro aan schade aan ons busje schopten. Met witte neuzen konden Jack Plooij, ik en de anderen weer wegkomen, omdat het verkeer gelukkig weer ging rijden.

Ruimte houden

Twee jaar later stond er op ongeveer datzelfde punt, nu wel met de ramen dicht, ineens iemand pal naast onze auto met een pistool. Jack riep: ‘Gas met die bus!’ Van taxichauffeurs en lokale mensen had ik al geleerd: je moet ruimte houden als je stilstaat in die files zodat je nog de onderkant van de bumper van de auto voor je kunt zien. Dat is de manier om nog links of rechts weg te kunnen komen zonder de auto voor je te raken. We hebben dus ook toen weg kunnen komen. Wat ze hopen is dat je van angst bevriest en maar iets geeft of de deur opendoet.

‘Ollie, hij heeft een gun!’

Pistool nummer twee in Brazilië maakte ik mee toen we met de crew in twee Volkswagens (model Gol, een kleine vierkante auto die nog het meest op een oude Scirocco lijkt), onderweg terug waren naar ons hotel bij het Ibirapuera-park. Ik stond rechts voor een stoplicht met in de linkerbaan naast me auto’s die daar linksaf moesten. Het stoplicht ging op groen en van links wilde er ineens een auto tussen. Ik dacht flikker op en sneed die auto half af, toeterde nog en maakte een wegwerpgebaar naar die man. Twee auto’s achter mij kwam hij er wel tussen en bij het volgende stoplicht zag ik ineens die man naast me komen.

Hij maakte allemaal gebaren en was duidelijk niet blij met me. Ik maakte nog een keer zo’n wegwerpgebaar en ging met groen licht weer rijden. Op dat moment begon die man mij te achtervolgen, links erachter, rechts erachter tot aan het volgende stoplicht. Dat stond op oranje en ik remde even om hem ook te laten remmen en gaf toen weer snel gas. Ik door rood en hij door rood. Producer Frank Verzantvoort zat naast me en riep ineens: ‘Ollie, hij heeft een gun!’ En inderdaad, die man hing in zijn rode autootje met zijn arm uit het raam met daarin een pistool en zo was hij ons inmiddels aan het achtervolgen. Ik riep nog: ‘Ramen dicht!’, alsof dat iets hielp. Op een gegeven moment moest ik remmen voor een van de talrijke stadsbussen die vanaf rechts invoegde en de man met de gun haalde die bus snel rechts in en stond met zijn auto ineens pal voor die van mij. Ja, toen moést ik wel stoppen. De man stapte uit en richtte dat pistool recht op mijn neus. Ik dacht: wow, hoe gaan we dit oplossen?


Dit is een korte voorpublicatie uit het nieuwe boek van Olav Mol ‘Een leven met Formule 1®‘ bij Uitgeverij Q, Amsterdam

Foto: McLaren-Honda